
De Wereldtentoonstelling van 1925 werd onder de naam Exposition internationale des arts décoratifs et industriels modernes gehouden in de Franse hoofdstad Parijs. De tentoonstelling stond in het teken van de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog.
Het evenement vond plaats tussen de esplanade van Les Invalides en de ingangen van het Grand Palais en het Petit Palais, aan beide oevers van de Seine. Er waren 15.000 exposanten uit twintig verschillende landen. Duitsland was niet uitgenodigd vanwege zijn rol in de Wereldoorlog, en de Verenigde Staten zagen er niets in en deden niet mee.
De Wereldtentoonstelling werd bezocht door zestien miljoen mensen in zes maanden: eind april tot eind oktober 1925.
De Franse overheid wilde middels deze wereldtentoonstelling de nieuwe naoorlogse stijl van de moderne toegepaste kunst, de architectuur, binnenhuisarchitectuur, meubels, glas, juwelen en andere decoratieve kunsten in Europa en elders onder de aandacht brengen. Veel ideeën van de internationale avant-garde op het gebied van architectuur en toegepaste kunst werden op de expositie voor het eerst gepresenteerd.
Deze expositie werd achteraf de naamgever van de art deco, de stijl in de kunstnijverheid en architectuur die hier centraal stond.
Enkele bijdragen
Er waren dertien verschillende toegangspoorten tot de expositie, elk door een andere architect ontworpen. De hoofdingang was aan de Place de la Concorde, een ontwerp van architect Pierre Patout, met in het midden een standbeeld van een vrouw genaamd "Welkom" van Louis Dejean.
Het hoogste gebouw in de Exposition, en een van de meest modernistische bouwwerken, was de strakke, onversierde toren van het Toerismepaviljoen van Robert Mallet-Stevens, een voorbode van de zakelijke, vereenvoudigde stijl die in plaats van de art-deco zou komen en die zou culmineren in de Wereldtentoonstelling van 1937, eveneens in Parijs. Ook het Pavilion de L'Esprit Nouveau van Le Corbusier en Amédée Ozenfant was een voorbeeld van dit modernisme.
Tijdens de wereldtentoonstelling opende de Oekraïens-Franse kunstenaar Sonia Delaunay haar 'Boutique Simultanée' onder de brug Pont Alexandre-III waar ze eigen werk en dat van modeontwerper Jacques Heim presenteerde.
Nederlandse bijdrage

Nederland was nadrukkelijk aanwezig op de tentoonstelling. Het door J.F. Staal ontworpen en door Richard Roland Holst, Hildo Krop, John Rädecker en Hendrik Wijdeveld versierde interieur vertoonde architectuur en woninginrichting van K.P.C. de Bazel, Berlage, Dudok, Bijvoet en Duiker, Dreesen, Granpré Molière, M. de Klerk, Lauweriks, Lion Cachet, Luthmann, Oud, Van Ravesteyn en Wouda. Het paviljoen was een gebouw gemaakt uit bakstenen, was met dof-rode pannen bedekt en had een hoog dak. De achtermuur had een hoge kap, waarop de wapens van de elf provincies waren aangebracht. Aan de twee zijgevels waren twee beelden van Hildo Krop aangebracht, de ramen waren van glas in lood en gemaakt door Richard Roland Holst. Aan de vlaggenstok van de bank voor de ingang woei de prinsenvlag met een leeuw in de bovenhoek aan de stok. Verder werd er keramiek van o.a. Colenbrander, Copier, Krop, Bert Nienhuis en Erich Wichman vertoond, een haardscherm van Jan Toorop, een pendule van Eisenloeffel, en een flinke afdeling boekkunst en grafische kunst met onder meer Lion Cachet, Dijsselhof, Theo Nieuwenhuis, Jan van Krimpen, A.A.M. Stols, Theo van Hoytema, Jan Sluyters en Jac. Jongert. Deze bijdragen werden in boeken gepubliceerd die ook weer door moderne vormgevers als Anton Kurvers, Fokko Mees, André van der Vossen, S.H. de Roos en Jan van Krimpen op hun paasbest werden gepresenteerd, en ook in Nederland kreeg de tentoonstelling met zijn aanzienlijke Nederlandse input veel aandacht.
Belgische bijdrage

De deelname van België was lange tijd onzeker, omdat het land nog in volle wederopbouw was en nauwelijks budget kon vrijmaken. Mee dankzij een nationale tombola kon uiteindelijk een jaar vóór aanvang definitief worden toegezegd. Voor de invulling greep commissaris-generaal Adrien van der Burch terug naar de kunstenaars die indruk hadden gemaakt op de Esposizione internazionale d'arte decorativa moderna van 1902 in Turijn: Victor Horta, Pieter Braecke, Oscar Van de Voorde en Léon Sneyers. Conform het reglement van de organisatie moesten inzendingen resoluut modern zijn, zonder verwijzing naar vroegere stijlen. Voorafgaandelijk hield België een anonieme screening door een toelatingsjury.
Het Belgisch paviljoen kreeg een prominente plaats aan de Avenue Nicolas II (tegenwoordig Avenue Winston-Churchill) naast het Petit Palais. Het was ontworpen door Horta uit goedkope materialen. Op de toren stonden zes standbeelden van Marcel Wolfers. Het fries was een werk van Braecke. Voor de ingang stond ook diens beeld De decoratieve kunst, belichaamd door een vrouw met zonnebloemen. Het werk, dat optimisme uitstraalde, sleepte de grote prijs van de internationale jury in de wacht. Binnen werden acht interieurensembles gepresenteerd in een architecturale aankleding van Oscar Van de Voorde. Het voornaamste daarvan was de Gioconda van Philippe Wolfers, een complete eetkamer met meubilair, servies, kristal... Dit ensemble won de grote prijs van de internationale jury en werd ook door de pers bedolven onder lof. Een andere blikvanger was de Salle Constant Montald, ingericht door Boch Frères en Val-Saint-Lambert.
Daarnaast had België een afdeling in het Grand Palais, ingericht door Léon Sneyers.
De bijdragen waren heel divers en varieerden van glas-in-lood over wandtapijten tot zilverwerk. Onder de deelnemende kunstenaars waren Paul Hamesse, Henry Van de Velde, Flor Van Reeth, Victor Bourgeois en Elisabeth de Saedeleer.
Naar aanleiding van het succes op de wereldtentoonstelling realiseerde België zich dat het nog beter kon doen door een hogere opleiding in de toegepaste kunsten uit te bouwen. Daartoe werd Henry van de Velde teruggehaald uit Nederland. Hij werd het eerste hoofd van de Nationale Hoogere School voor Sierkunst in de gebouwen van de abdij Ter Kameren.
Honderd jaar na de Wereldtentoonstelling van 1925 kreeg een selectie uit de aanwezige inzendingen een plaats in de nieuwe zaal voor Belgische art deco in het Museum Kunst & Geschiedenis. Daar werd onder meer Braeckes beeld De decoratieve kunst getoond, dat al die tijd was bewaard in de Afgietselwerkplaats.
Literatuur
- L'Art hollandais à l'exposition internationale des arts décoratifs et industriels modernes, Paris 1925. Amsterdam, 1925.
