factograf
NL

Belgisch schrijver (1862-1949)

Maurice Maeterlinck

Maurice Maeterlinck

Key facts

geboortedatum29 augustus 1862
overlijdensdatum6 mei 1949
opleiding gevolgd aanUniversiteit Gent
beroepschrijver, dichter, filosoof
geboorteplaatsGent
overlijdensplaatsNice
huwelijkspartnerRenée Dahon
werkgeverLa Jeune Belgique
ambtpresident
onderscheidingNobelprijs voor de Literatuur
All data from the card 17
Geboortedatum
29 augustus 1862
Geboorteplaats
Gent, België
Overlijdensdatum
6 mei 1949
Overlijdensplaats
Nice, Frankrijk
Geboorteland
België
Nationaliteit
Belg
Opleiding gevolgd aan
Universiteit Gent, jezuïeten, Sint-Barbaracollege
Werkveld(en)
filosofie
Jaren actief
1888 – 1949
Geschreven voor
La Jeune Belgique
Genre(s)
filosofisch verhaal
Stroming(en)
symbolisme
Lid van
Academie Royale de Langue et de littérature Françaises, Académie des gastronomes, Académie des sciences, belles-lettres et arts de Rouen
Werken in collectie
Koninklijke Bibliotheek van België, print collection of the national Library of BAnQ
Archief­locatie
Archief Gent, Speciale Collecties en Universiteitsarchieven van de Universiteit van Victoria
Prijzen en onderscheidingen
Nobelprijs voor de Literatuur (1911), Commandeur in het Legioen van Eer (7 juni 1925), Grand Officer of the Military Order of Saint James of the Sword
Jaar
1911

Maurice Polydore Marie Bernard Maeterlinck (Gent, 29 augustus 1862 – Nice, 6 mei 1949) was een Belgisch dichter, toneelauteur, essayist en vertaler. Hij schreef zijn werk in het Frans en ontving in 1911 de Nobelprijs voor Literatuur.

Leven

Maurice Maeterlinck; De lezing door Emile Verhaeren (detail), door Théo van Rysselberghe
Maurice Maeterlinck; De lezing door Emile Verhaeren (detail), door Théo van Rysselberghe

Maeterlinck groeide op in een gegoede Gentse familie uit een Franstalig milieu. Hij liep school bij de jezuïeten van het Sint-Barbaracollege en studeerde rechten aan de universiteit. Hij doctoreerde in de rechtsgeleerdheid en promoveerde in 1885, maar was de advocatuur niet erg genegen. Tijdens een verblijf in Parijs kreeg hij de smaak te pakken van literatuur.

Gezien zijn achtergrond schreef hij in het Frans, hoewel hij wel Nederlands kende en de taal niet ongenegen was. Zo pleitte hij als jonge advocaat in het Nederlands, wat toen nog uitzonderlijk was. Een van zijn vrienden was Cyriel Buysse, met wie hij regelmatig Gents praatte. Marnix Gijsen vertelde dat Maeterlinck Frans met een Gents accent sprak.

In 1889 werd zijn toneeldebuut La Princesse Maleine geprezen door Octave Mirbeau, die recensies schreef voor Le Figaro, en zijn faam was meteen gemaakt. Voornamelijk door de impact van dit werk werd hij in 1911 bekroond met de Nobelprijs voor Literatuur, maar daar hij een broertje dood had aan ceremonieën, meldde hij zich ziek en liet hij zijn Nobelprijsdiploma ophalen door ambassadeur Charles Wauters. Om deze gebeurtenis te herdenken ging een eeuw later - in september 2011 - het Gentse Maeterlinckjaar van start met allerlei manifestaties om de enige Belg aan wie ooit de hoogste literaire onderscheiding te beurt viel, te eren.

In 1895 ontmoette hij de extravagante operazangeres Georgette Leblanc, die zijn vriendin werd en gedurende vele jaren een onmiskenbare invloed op zijn gedachtegoed en stijl uitoefende. Hun relatie duurde 23 jaar. Zij was ook de reden dat hij zich in 1897 in Parijs vestigde en later in Gruchet Saint – Simeon (Normandië) en vanaf 1907 in Fontenelle in de abdij van Saint-Wandrille. Na de Eerste Wereldoorlog brak Maeterlinck met Georgette en trouwde op 15 februari 1919 met de dertig jaar jongere Renée Dahon, met wie hij zich terugtrok in het Kasteel van Médan en de laatste jaren in Nice in villa 'Orlamonde'.

Op 29 januari 1914 werd zijn volledige werk door het Vaticaan op de index geplaatst, ten gevolge van de publicatie in 1913 van zijn roman La Mort.

Vanaf de jaren twintig ebde de bewondering voor de schrijver Maeterlinck stilaan weg. Hoogtepunten van inspiratie en poëtische inventiviteit, zoals die bij het begin van zijn carrière legio waren en die hem een terechte roem hadden bezorgd, werden schaars. Zijn literaire productie bestond in hoofdzaak nog uit essaybundels, waarin hij zijn lezers in een onderhoudend, maar niet echt wetenschappelijk of filosofisch discours zijn beschouwingen over een veelheid van onderwerpen serveerde. Tussen 1933 en 1945 kwam hij elk jaar met een publicatie, een regelmaat die sommige critici eerder door financiële dan door artistiek-literaire motieven ingegeven zagen. Maeterlinck bleef namelijk een bestseller, een onmisbare meevaller voor de steeds onwaarschijnlijker train de vie, die het echtpaar Maeterlinck-Dahon erop nahield.

In 1920 werd Maeterlinck verkozen tot lid van de pas opgerichte Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique. Om zijn boek La vie des termites, een beschrijving van het 'maatschappelijk' leven van termieten, waarin een parallel kon worden getrokken met de communistische maatschappij, werd hij beschuldigd van het plagiëren van de Zuid-Afrikaanse schrijver Eugène Marais. Deze kwestie is nog niet sluitend opgelost.

In 1932 werd hij door koning Albert I in de adelstand opgenomen met de titel graaf. Hij bracht echter niet de inspanning op om het diploma te lichten door het registreren van de 'open brieven' die deze benoeming rechtsgeldig maakten, zodat ze zonder uitwerking bleef. In 1947 werd hij verkozen tot voorzitter van PEN International wat hij bleef tot zijn dood twee jaar later.

In 1954 werd de Fondation/Stichting Maurice Maeterlinck opgericht, onder impuls van professor R.O.J. Van Nuffel, in samenwerking met het Gentse stadsbestuur; ze publiceert vanaf 1955 Maeterlinckstudies in de Annales de la Fondation Maurice Maeterlinck.

In 1962 werd in de Peperstraat een gedenksteen geplaatst aan zijn geboortehuis.

Werk

Als dichter van het symbolisme nam Maeterlinck een belangrijke plaats in de Europese literatuur in. Als avant-gardist brak hij met de traditie van het realisme en probeerde hij de werkelijkheid te vatten met symbolen en metaforen, waardoor hij het symbolisme op slag een eigen theater schonk. Daarmee was hij een voorloper van het 20ste-eeuwse theater, met figuren als Samuel Beckett. Het werk van Maeterlinck zelf doorstond de tand des tijds niet goed, maar hij inspireerde wel tijdloze schrijvers, zoals Rainer Maria Rilke. Die dweepte zodanig met zijn werk dat hij bijna de brui gaf aan de poëzie. In de plaats daarvan wilde hij een theatercentrum oprichten waar alleen het oeuvre van zijn idool zou opgevoerd worden.

In zijn gedichten wil hij worden bevrijd van de broeikaswereld, zodat hij meer uitzicht krijgt op een open horizon. Zijn gedichten worden gevormd door droomflitsen, fantasma's, nachtmerries, ijlkoortsen van een waanzinnige geest, die wanhopig probeert uit zijn besloten wereld te komen, maar daar niet in slaagt. Hij maakt hierbij gebruik van het automatisch schrijven van het surrealisme, waardoor zijn gedichten in zijn tijd zeer modern zijn. Zijn toneelwerk is dat van een dichter die zijn dramatische conflicten poëtisch tracht weer te geven en dat van een essayist die dat filosofisch probeert te doen. Zijn toneelstukken worden beheerst door het menselijk noodlot. Zijn hoofdpersonen zijn geboren onder een ongelukkig gesternte en zijn meestal bang voor het leven, de liefde en de toekomst. In dit toneel is geen plaats voor innerlijke rust en geluk.

In zijn latere toneelwerk grijpt het noodlot niet meer zo tragisch in het leven van de hoofdfiguren in en komt er wel ruimte voor wat geluk. Een internationaal succes werd het theaterstuk uit 1908, De blauwe vogel, dat de zoektocht weergeeft van Tyltyl en Mytyl, twee kinderen van een houthakker, die, geleid door het Licht, de blauwe vogel van het geluk en het raadsel van het bestaan willen opsporen. Ze zijn in het bezit van een talisman, een diamant, waarmee ze de waarheid achter de schijn kunnen vinden en die hen naar de blauwe vogel brengt in Het Land van de Toekomst, waar de kinderen leven die nog niet zijn geboren. Volgens Maeterlinck bestaan er wezens met een tweede leven naast hun dagelijks bestaan, die alles weten en niets, die leven en geluk zoeken, maar ook vluchten. De mens is bovendien van twee zijden gebonden aan de niet-levenden, zowel die van het verleden als die van de toekomst. Ook in zijn essayistisch werk neemt het noodlot een belangrijke plaats in, naast thema's als het bewustzijn en onderbewustzijn, het ik, geboorte, dood en voortbestaan, het leven van de termiet, de bijen, de sensibiliteit van de bloem, de relatie bloem en God. Zijn pessimistische en ontgoochelde visie op het bestaan blijkt ook hier.

Pas in 2011, precies een eeuw na zijn Nobelprijs Literatuur, verscheen een Nederlandse vertaling van Bulles bleues: souvenirs heureux, de memoires die Maeterlinck in 1948, een jaar voor zijn dood, afrondde. Deze “herinneringen van geluk” zijn bijna volledig in Gent verankerd. Maeterlinck verhaalt op schelmse wijze en zeer openhartig zijn jeugdherinneringen aan de Gentse burgerij in het fin de siècle, over het landgoed van de familie in Oostakker, de culinaire genoegens bij zijn grootmoeder op het kasteel Rijvissche, de bezigheden van zijn vader Polydore Maeterlinck - op botanisch, financieel en amoureus vlak -, over schoolperikelen in Nieuwen-Bosch, in het inmiddels verdwenen Institut ‘Calamus’ (het Franstalig privéschooltje Institut Central aan het Sint-Baafsplein) en bij de jezuïeten van het Sint-Barbaracollege, over de Franse en de Nederlandse taal, over zijn literaire vrienden en zijn vroegste inspiraties, over de Sint-Annakerk en de Gentse begijnhoven én over het begin van zijn internationale roem door de lovende woorden van Octave Mirbeau in Le Figaro.

Gentse invloeden in Maeterlincks werk

Toen Maurice drie jaar was verhuisden zijn ouders van de Peperstraat naar een herenhuis aan de pas aangelegde Frère-Orbanlaan (gesloopt in 1995; heden nr. 91/92), vlakbij het nieuwe Zuidstation. Maeterlincks ouders bezaten ook een landgoed in Oostakker aan het kanaal Gent-Terneuzen (ten noorden van het huidige Grootdok, in 1902 bij verbreding van het kanaal verdwenen), waar zijn vader experimenteerde met druiven en perziken, bijen hield en bloemen teelde. De Franse schrijver André Gide kwam er in 1891 op bezoek.Geregeld logeerde Maurice ook bij zijn grootmoeder Nathalie De Meyere in kasteel Rijvissche in Zwijnaarde, dat als deel van de middeleeuwse verdedigingsgordel rond Gent de setting zou inspireren voor zijn sombere shakespeariaans toneelstuk, La princesse Maleine, geïllustreerd door George Minne. Ook de nabijheid van het kanaal en de voorbij varende schepen stimuleerden zijn belangstelling voor belangrijke thema’s in zijn werk.

In de Gentse 'oordjesschool' (kleuterschool) van de Soeurs de Notre Dame van het Institut du Nouveau Bosch (Nieuwen-Bosch) was hij erg getroffen door een reproductie van Bruegels De kindermoord te Bethlehem. Het inspireerde hem later voor zijn eerste prozastuk La massacre des innocents (gepubliceerd in het tijdschrift La Pléiade).

In 1874 werd hij met zijn broer Ernest ingeschreven bij de jezuïeten van het Sint-Barbaracollege in de Savaanstraat. Georges Rodenbach en Emile Verhaeren waren er kort voordien afgestudeerd. Grégoire Le Roy en Charles van Lerberghe waren er zijn medestudenten. In zijn vroegste werk vielen vooral de angst voor de dood en de afschuw voor de zonde van het vlees op die hem daar werden ingeprent, naast de drukkende atmosfeer van het laat-19de-eeuwse Gent.

In de jaren 1880 trok hij samen met Grégoire Le Roy naar Parijs, waar hij kennis maakte met de symbolisten en er in 1886 mede het tijdschrift La Pléiade stichtte. Als gevolg van zijn relatie met de Franse actrice Georgette Leblanc, verliet hij in 1897 Gent definitief en vestigde hij zich in Parijs. Twee jaar voor zijn dood verhuisde hij met actrice Renée Dahon naar een kasteel nabij Nice, dat hij naar één van zijn gedichten 'Orlamonde' noemde, waar hij ook overleed. Bij het slopen van het kasteel werd zijn as gered door Marguerite Yourcenar. Zijn urne werd nadien, samen met een plaket, ingemetseld in een muur van het naar hem genoemde luxehotel op dezelfde plaats.

Zijn eerste dichtbundel, Serres chaudes (broeikassen) herinnert aan het domein in Oostakker en de serres die toen in Gent (stad van planten- en bloementeelt) bestonden. Het boekje werd geïllustreerd door George Minne en gedrukt in Gent, bij Louis van Melle. In elk van deze gedichten zou volgens Karel van de Woestijne een hoekje van de stad Gent te herkennen zijn.

Tijdens de winter van 1890-1891 maakte de sportieve Maeterlinck, schaatsend op de Drongense meersen, kennis met Cyriel Buysse, met wie hij een levenslange vriendschap onderhield en met hem en enkele schilders samentroepte in Café Albion (1902-1907, Brabantdam nr. 29, hoek Vlaanderenstraat).

Zijn Gentse jaren oefenden ook invloed uit op zijn wetenschappelijk geïnspireerde werk. Zo liggen zijn jeugdervaringen met bijen en bloemen mede aan de basis van zijn La vie des abeilles (1901), L’Intelligence des fleurs (1907) en La vie des fourmis (1930). In zijn dichtbundel Douze chansons (1896, later vermeerderd tot Quinze chansons, 1900) klinken dan weer de volksliederen door uit zijn jeugd. Zijn meest Gentse werken zijn ongetwijfeld Serres chaudes en Bulles bleues.

Gents eerbetoon

Hoewel Maeterlincks werk al rond de eeuwwisseling wereldwijd faam genoot, zijn toneelstukken mateloos populair waren in Parijs en zijn werk werd vertaald in twintig talen, werd hij in Gent nooit populair. Hoezeer hij ook zelf van zijn geboortestad hield, die liefde bleef lange tijd onbeantwoord. Sporadisch werd een tentoonstelling aan hem gewijd, maar pas vanaf de laatste eeuwwisseling en vooral in het Nobelprijs-herdenkingsjaar 2011 werd hij ook in zijn geboortestad echt zichtbaar, met tentoonstellingen, concerten, opvoeringen en sporen in de stad.

Tentoonstellingen

  • 8 mei 1954, Museum Arnold vander Haeghen, voor de vijfde verjaardag van zijn overlijden
  • 29 januari 1976 tot 30 juni 1976, bij de opening van het Kabinet Maeterlinck (Museum Arnold vander Haeghen, Veldstraat 82)
  • 10 november 1979 tot 6 januari 1980, Maeterlinck uit het vergeetboek, bij het vijfentwintigjarig bestaan van de Stichting Maurice Maeterlinck
  • oktober 1999, Maurice Maeterlinck: de terugkeer van de Blauwe Vogel, naar aanleiding van de vijftigste verjaring van zijn overlijden, (handleiding door Yves Deprez)
  • april 2007: Tu es si belle qu’on dirait que tu vas mourir: Maeterlinck op T:me Festival, publicatie Verrukte monden (sam. Nicole Verschoore, over de complexe rijkdom van het Gentse symbolisme)
  • 22 oktober 2011 tot 15 april 2012: Maeterlinck 100 [jaar Nobelprijs Literatuur] & 150ste geboortedag; uitgebreid programma met diverse culturele partners (Vlaamse Opera, Vooruit, LOD, MSK, Kunsthal Sint-Pietersabdij, Zwarte Doos) met focus op Gentse invloed op Maeterlincks werk
  • 2011: Maeterlinck-wandeling; routefolder (Departement Cultuur & Dienst Toerisme Stad Gent). In 2018 werd een ingekorte route ook opgenomen in de reeks Erfgoedsprokkels onder de titel Maeterlinck-sporen Gent (Deputatie Provincie Oost-Vlaanderen); eerder, vanaf 2004 was er ook een digitale Maeterlinck-wandeling van Literair Gent
  • 4 juni tot 31 augustus 2011: Tentoonstelling Maeterlinck-Verhaeren, Provinciaal Museum Emile Verhaeren, Sint-Amands aan de Schelde; ter gelegenheid van 100ste verjaardag Nobelprijs Literatuur voor Maurice Maeterlinck (vriend Verhaeren was zijn directe concurrent)
  • 22 oktober 2011 tot 19 februari 2012: De wereld van George Minne en Maurice Maeterlinck, Museum voor Schone Kunsten, Gent; twee “symmetrische geesten” als vernieuwers in het Gentse sociale en artistieke milieu eind 19de eeuw; Minne illustreerde Serres chaudes en La princesse Maleine van Maeterlinck en is de schepper van De fontein der geknielden op het Emile Braunplein.
  • 24 november 2011: Poëzieroute Maeterlinck voor jongeren (14+) (Dienst Cultuurparticipatie Stad Gent i.s.m. Poëziecentrum en Stichting Maurice Maeterlinck); met werkbundel rond zeven gedichten van Maurice Maeterlinck en drie van zijn vrienden Charles Van Lerberghe, Emile Verhaeren en Karel Van de Woestijne, naast nieuwe vertalingen/herwerkingen door hedendaagse dichters zoals Christophe Vekeman, Daniël Billiet, Michaël Vandebril e.a.(educatieve uitwerking Marit Trioen)
  • 4 februari 2012: colloquium Maurice Maeterlinck en de natuur, Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde, Koningsstraat 18; i.s.m. UGent, door zes Maeterlinckspecialisten (C. Angelet, C. Berg, N. Verschoore, M. Quaghebeur, Rainier Grutman (Ottawa, Canada) en Jean Kaempfer (Lausanne, Zwitserland) en entr’actes door dichter en Maeterlinckvertaler Stefaan van den Bremt, gevolgd door een avondprogramma met Anne Marie Musschoot (UGent/KANTL), Pierre Schoentjes (UGent), Philippe Claudel (Frankrijk) en schrijver Erwin Mortier

Gentse Maeterlinck-sporen

In de Gentse binnenstad herinneren meerdere specifieke plekken aan de Gentse Nobelprijswinnaar Literatuur:

  • Maurice Maeterlinckstraat (uitzonderlijk nog tijdens zijn leven toegekend op 21 november 1932): loopt net als de nabijgelegen Cyriel Buysse- en de Karel van de Woestijnestraat uit op dezelfde rotonde tussen de Sterre (Oudenaardsesteenweg/N60) en de Ringvaart (R4)
  • Veldstraat 82, Kabinet Maeterlinck, 1976: in voormalig hotel Arnold vander Haeghen gereconstrueerde werkkamer en bibliotheek van de auteur, overgebracht uit villa Orlamonde in Nice (laatste woonplaats), met authentiek meubilair en archief; hernieuwd sinds 9 november - zie Historische huizen Gent
  • Ajuinlei: gedicht “Serre d’ennui” (sinds 2000) op de achtergevel van het Hotel Clemmen / Museum Arnold Vander Haeghen; het gedicht maakt deel uit van de Gentse Poëzieroute
  • Peperstraat, zijgevel van Grand Hotel Reylof: herdenkingsmedaillon Maurice Maeterlinck door Louis Lafaye (in 1962 oorspronkelijk aangebracht op zijn geboortehuis, later afgebroken)
  • Hoogstraat, Pillows Grand Hotel Reylof: foyer genaamd Maurice Maeterlinck
  • Patijntjesstraat, L’Oiseau bleu: dubbelwoning in villastijl (huisnummers 10/12) door architect Geo Henderick, 1932; basreliëf met blauwe vogel met gespreide vleugels, aan zijgevel in baksteen de namen Tyltyl en Mytyl (naar de hoofdfiguren in het verhaal)
  • Savaanstraat, Sint-Barbaracollege: gedenkplaat Maurice Maeterlinck (sinds 12 mei 2012) naast gedicht door Emile Verhaeren; Maeterlinck beschreef het jezuïetencollege anno 1874-1880 in zijn memoires Bulles bleues (1948)
  • Predikherenlei / Predikherenbrug, lichtkunstwerk Blauwe Vogels (sinds 8 november 2016; creatie door de Franse ontwerpstudio Pitaya (met preview tijdens Lichtfestival Gent 2012), geïnspireerd door het sprookje L’oiseau bleu
  • Miriam Makebaplein / Platteberg 11, Bibliotheek De Krook: evenementenzaal 'De Blauwe Vogel'

Erkenning

Bibliografie

Prinses Maleine, illustratie door Léon Spilliaert (1903)
Prinses Maleine, illustratie door Léon Spilliaert (1903)
L'Intruse; illustraties door Léon Spilliaert (1903)
L'Intruse; illustraties door Léon Spilliaert (1903)
Les Aveugles; illustraties door Léon Spilliaert (1903)
Les Aveugles; illustraties door Léon Spilliaert (1903)
La Mort de Tintagiles, illustraties door Léon Spilliaert (1903)
La Mort de Tintagiles, illustraties door Léon Spilliaert (1903)
Illustratie van Charles Doudelet voor Douze chansons (1896)
Illustratie van Charles Doudelet voor Douze chansons (1896)
5 images

Toneelstukken

  • La Princesse Maleine ("Prinses Maleine", 1889)
  • L'Intruse ("De indringer", 1890)
  • Les Aveugles ("De blinden", 1890)
  • Les Sept Princesses ("De zeven prinsessen", 1891)
  • Pelléas et Mélisande ("Pelléas en Mélisande", 1892)
  • Alladine et Palomides ("Alladine en Palomides", 1894)
  • Intérieur ("Interieur", 1894)
  • La Mort de Tintagiles ("De dood van Tintagiles", 1894)
  • Aglavaine et Sélysette ("Aglavaine en Sélysette", 1896)
  • Soeur Béatrice ("Zuster Beatrijs", 1901)
  • Ariane et Barbe-Bleue ("Ariadne en Blauwbaard", 1901), in 1905 door Paul Dukas omgezet in een opera
  • Monna Vanna ("Monna Vanna", 1902). Vert. uit het Fransch in 1903 door Frans Mijnssen als: Monna Vanna. Tooneelspel in drie bedrijven (Digitale versie)
  • Joyzelle ("Joyzelle", 1903)
  • L'Oiseau Bleu ("De blauwe vogel", 1908)
  • Marie-Magdaleine ("Maria Magdalena", 1910)
  • Le Bourgmestre de Stilmonde ("De burgemeester van Stilmonde", 1918)
  • Le Miracle de saint Antoine ("Het wonder van Sint Antonius", 1919)
  • Les Fiançailles ("De verloving", 1922)
  • Le Malheur passe (1925)
  • La Puissance des morts (1926)
  • Berniquel (1926)
  • Marie-Victoire (1927)
  • Juda de Kerioth (1929)
  • La Princesse Isabelle (1935)
  • Jeanne d'Arc (1948)

Poëzie

  • Serres chaudes ("Broeikas van het hart", 1889)
  • Douze chansons (1896, in 1900 opnieuw uitgegeven als Quinze chansons)

Proza

  • Le Trésor des humbles ("De schat der nederigen", 1896)
  • La Sagesse et la destinée ("Wijsheid en levenslot", 1898)
  • La Vie des abeilles ("Het leven der bijen", 1901)
  • Le Temple enseveli ("De begraven tempel", 1902)
  • L'Intelligence des fleurs ("Het leven der bloemen", 1907)
  • L'Ornement des noces spirituelles de Ruusbroec l'admirable (een vertaling van Ruusbroecs Die geestelike brulocht, 1910)
  • Onirologie ("Droomleer", 1918)
  • La Vie des termites ("Het leven der termieten", 1926)
  • La Vie des fourmis (1930)
  • Bulles bleues (1948), autobiografie
  • La Mort ("De dood", 1913)

Over Maeterlinck

  • Maurice Maeterlinck, Gedichten/Toneel en Proza met een inleiding van prof. dr. Mathieu Rutten. Haarlem, 1962.
  • Elisabeth Leijnse, Symbolisme en nieuwe mystiek in Nederland voor 1900; een onderzoek naar de Nederlandse receptie van Maurice Maeterlinck; met de uitgave van een handschrift van Lodewijk van Deyssel. Genève: Droz, 1995.
  • David Van Reybroeck, De Plaag, Amsterdam, De Bezige Bij, 2001.
  • Elisabeth Leijnse & Hans Vandevoorde, Maeterlinck in de Nederlanden, Gent: Maurice Maeterlinck Stichting, 2003.
  • André Capiteyn, Maeterlinck. Een Nobelprijs voor Gent, Uitgeverij Snoeck / Stad Gent – Departement Cultuur, 2008.

Archief Maurice Maeterlinck

Het archief van Maurice Maeterlinck wordt bewaard in Archief Gent (archiefcode PA_AMM). De inventaris zal vanaf 2022 online te raadplegen zijn via de website van Archief Gent.

Enkele composities naar werk van Maeterlinck

Maeterlinck inspireerde verschillende componisten met zijn werken. Op de eerste plaats Pelléas et Mélisande:

Voorts:

  • Paul Dukas: Ariane et Barbe-bleue (opera in drie bedrijven, 1899-07)
  • Dimitri Mitropoulos: La Sœur Béatrice (opera)
  • Sergej Rachmaninov: Monna Vanna (onvoltooide opera, 1908)
  • Henry Février: Monna Vanna (opera, 1909)
  • Arnold Schönberg: Herzgewächse, Op.20 (lied met klein ensemble, 1911, naar Feulliages du cœur, uit: Serres chaudes)
  • Alexander Zemlinsky: Sechs Gesänge nach Gedichten von Maurice Maeterlinck, Op.13 (orkestliederen, 1913)

Varia

  • Het Veer van Terdonk draagt de naam Maeterlinck. Op het veer staan enkele dichtregels van Maeterlinck.
  • In onder andere Gent, Lokeren en Koksijde werd een straat naar Maeterlinck genoemd.
  • In Nice ( Frankrijk) koopt hij in 1930 een imposante villa, het Palais Maeterlinck, waar hij samen met Renéé Dahon verblijft, en mondaine feesten organiseert, waarbij bekende mensen zoals Chaplin en Antoine Saint-Exupéry aanwezig zijn. Tijdens de oorlogsjaren vlucht het koppel naar de Verenigde Staten, maar keert nadien terug naar Nice, waar Maeterlinck sterft in 1949. De straat waaraan de villa gelegen is werd gewijzigd en draagt zijn naam.

Read next

In 93 languages

Text from Wikipedia, CC BY-SA 4.0 · Source article